Puttvrees

Column voor 19 Golf & Genieten

Ik zit in een dipje. Zalig. In tegenstelling tot de meeste golfers haal ik voordeel uit slecht spel. Het is natuurlijk ook voor mij lijden met grote ‘l’ wanneer onmacht de plak zwaait tijdens een gruwelijk rondje waarbij alles fout loopt wat maar enigszins fout kán lopen, maar tegelijk gonst achterliggend toch de gedachte: mooi, kan ik straks iets geinigs over schrijven. In die zin ben ik geprivilegieerd. Een ander kan alleen maar gelaten ondergaan wat hem overkomt, voor mij daarentegen schept de penibele situatie ongekende mogelijkheden. Monkelend ruik ik de aanzet tot een vermakelijk verhaal.
Zonder die uitlaatklep zou ik het niet redden, vrees ik. Ik zou fataal tilt slaan, kolder in de kop krijgen, helemaal kierewiet worden. Wees maar zeker. Terwijl ik me nu op het nippertje weet te handhaven. Het besef dat er mogelijk een sterk verhaal te destilleren valt uit mijn noodlottige tochten over de fairway, weerhoudt me om helemáál weg te zakken in wanhoop en vertwijfeling. Al scheelt het bij wijlen echt niet veel. ‘Golf: de heroïne van de veertiger’ is niet voor niets een allegaartje van smakelijke hoofdstukken waarin onheil en rampspoed de boventoon voeren.  Kluiven zijn het waar de gemiddelde golfer zich knorrend aan tegoed doet. Niets immers dat een mens meer troost biedt dan herkenning en leedvermaak. En wat is er nu leuker dan je medemens te kunnen opmonteren? Een mooier beroep bestaat toch niet. Nee, mij hoor je heus niet klagen. Speel ik goed, loop ik te glunderen, presteer ik ondermaats, weet ik mij verzekerd van een vet stukje tekst. Altijd prijs.
Hoewel… Overdrijf ik nou niet? Natuurlijk overdrijf ik. Overdrijven is mijn beroep. Ik moet de eerste scribent nog tegenkomen die van een mug geen olifant maakt. Een beetje schrijver schrikt er niet voor terug de werkelijkheid op te kloppen, bij te kleuren en aan te dikken tot elke zin fonkelt als een gepolitoerde diamant. In de letteren moet waarheid nu eenmaal wijken voor schoonheid. Al gebiedt diezelfde waarheid mij te zeggen dat ik er –in tegenstelling tot wat ik soms pretendeer- nauwelijks in slaag de boel te relativeren. Er zijn momenten dat de nood zo hoog is dat de gedachte aan een mooi verhaal niet eens bij me opkomt, laat staan tegen de ellende die mij op dat moment ten deel valt, weet op te boksen. Het missen van de ‘halve-meterputt’ is daar een mooi voorbeeld van. Heb ik een patent op. Bij mij op de club wordt het missen van een niet te missen putt gemeenlijk ‘een Keppenske doen’ genoemd. Opnieuw laat ik hier uitschijnen dat ik er mee lachen kan, maar niets is minder waar. Woede en zelfhaat stijgen in mij op als bubbels in een champagneglas wanneer ik er weer eens eentje onbegrijpelijk laat liggen op de green. In mijn hoofd gillen honderd stemmen door elkaar heen hun vertwijfeling uit. Gans mijn golfcarrière valt samen te vatten als een ode aan het missen van de ‘gemaakte’ putt. Prachtig hoe ik puttjes van niks rakelings voorlangs weet te sturen. Sla me dood, ik weet als het ware het missen van een makkelijke putt tot kunst te verheffen. Mijn hele persoonlijkheid leg ik er in. Putts mankeren is een soort tweede natuur geworden. Gaandeweg is faalangst zich ermee komen bemoeien. Een deconstructieve denkwijze maakt zich meester van mijn brein wanneer ik mij klaarmaak om te putten. Missen zál ik die putt. En ja hoor, ik mis ‘m. Oh, ondraaglijke teleurstelling.  Terwijl we allemaal weten hoe gelukzalige het is er eentje te zien ingaan. Zeker als er sprake is van een wat langere putt die ons volop de tijd geeft om te genieten. Gezegend is de moment waarop duidelijk wordt dat ie –perfect de curve nemend die je in gedachten had- met zekerheid vallen zal. De juiste snelheid heeft hij, kijk hoe mooi hij richting hole rolt, even nog blijft hij aarzelend hangen boven de rand van de cup, om dan –hoezee!- zoetjes te vallen. Ha, het ratelende geluid van de bal die met een laatste droge klink tot stilstand komt. Yes! Een hand gaat gebald de lucht in. De immense voldoening die daarop volgt. Helaas voor mij –beroerd putter- nauwelijks weggelegd.  
Ik ga hier geen psychologische verklaringen zoeken voor dit mankement, al wil ik toch gewagen van een zekere erfelijke belasting. Laat ik stellen dat mijn ouders niet direct tot de optimisten konden worden gerekend. Mijn vader had het z’n leven lang over de zeven magere jaren die er zaten aan te komen, m’n moeder van haar kant was expert in het bedenken van fantasierijke rampscenario’s. Te gek hoe ze in gezapige, onschuldige gebeurtenissen onheilspellende voortekenen wist te bespeuren. Tja, het moet gezegd, brave lieden die oude luitjes van mij, maar beiden worstelden ze met een sombere ingesteldheid die onmiskenbaar sporen naliet op hun drie nakomelingen. Geen wonder dat m’n oudste broer geruime tijd met ‘yips’ had te kampen en de middelste zo’n beetje als een wandelende zenuwpees over de fairway dendert. Eigenlijk kom ik er nog tamelijk goed van af. Nu ja, we kunnen er niets aan doen. De genen zijn genadeloos. Let wel, ik wil m’n ouders hier zeker niet met de vinger wijzen. Integendeel. Niemand heeft zichzelf gemaakt, zei m’n vader altijd. Gelijk had ie. Echt, ze hadden kwaliteiten zat, maar optimisme was er géén van. Zin voor humor des te meer. Er werd wat afgelachen bij ons thuis. Zij het dat er altijd een zwartgallig randje aan die humor zat. Heerlijk. Mijn vader stond gekend als koning van de zelfspot. Ironie en sarcasme vierde ten onzent hoogtij. Lui met een hoek af werden omarmd, immer opgeruimde lachebekken daarentegen ronduit gewantrouwd. En niets zo ijl en voorspelbaar als het luchtledige gejengel van de optimist, vonden we. Een beetje mens hoorde er met flair en scherts op los te kankeren. Wees immer paraat om te anticiperen op wat zonder twijfel slecht aflopen zal, luidde ons devies. Want het bestaan zat natuurlijk vol obstakels en valkuilen die erop uit waren ons een loer te draaien. Ik bedoel, probeer met dit DNA maar eens met een positieve attitude in het leven te staan. Idem dito op het golfterrein. Pessimisme troef. Halve-meterputts zijn er om gemist te worden, predikt mijn denkwereld. Punt, amen en uit. Ja, ga er dan maar aanstaan.
Ik ben al overal te rade geweest met betrekking tot mijn puttvrees. Helaas, tot nog toe heeft niemand mij kunnen helpen. Kijk, putten is mijns inziens niet moeilijk. Vergeleken bij een swing of een pitch is de putt keisimpel. Een kind kan het. Zeer terecht kijken wij golfers neer op minigolfers, zoals tennissers dat doen op squashers en badmintonners. Gewoon een makkie, dat gezwaai met die putter. Geloof mij, gebrek aan behendigheid is het niet. Putten is een mentale kwestie. Op zich kan iedereen dat balletje van op een halve meter in de cup deponeren. Alleen ik niet. Maar geen nood, ik heb ermee leren leven. In de wetenschap dat het mij nog menig literaire hoogstandje zal opleveren. Kortom, leve de bij voorbaat gemiste half-meterputt. Een bron van ergernis weliswaar, maar tevens van spitante ontboezemingen in letterkundige zin. Ja, een goudmijn, dat negatieve denken van mij. Een regelrechte zegen voor de mensheid. Of is dat te positief gedacht?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s