Columns

Lusje

Column voor 19 Golf & Genieten

Heeft u een paar minuutjes. Ik wil iets kwijt. Ik ben behoorlijk boos geweest op Pieter, mijn pro. Niets definitiefs hoor, we lachen er inmiddels alweer om. Maar toch, wat hij zei, hakte er stevig in. Hij schrok van mijn gebelgde blik, merkte ik. Bewijs te meer dat hij het niet kwaad bedoeld had. Wist hij veel hoe hoog die ellendige rotlus mij zat. Zolang ik golf, lever ik er strijd tegen. Sla me dood, veertien jaar al. Er is geen kruid tegen gewassen. Het is iets dat ik overhoud aan mijn tennisjaren. Ik bespaar u de technische uitleg, maar het heeft onder andere te maken met het feit dat ik als notoir linkerpoot zo nodig rechts moest beginnen golfen, waardoor een swing van meet af aan aanvoelde als een backhand. Geen probleem zult u opwerpen, Mickelson is rechtshandig en golft zoals iedereen weet links, je bent dus in goed gezelschap. Mogelijk, ware het niet dat mijn generatie nog het klassieke tennis speelde. Bjorn Borg lag bij manier van spreken nog te kwijlen in zijn wiegje. Niemand had al van topspin gehoord. De helden van toen heetten Dent, Rosewall en Connors en sloegen vlakke forehands die rakelings over het net joegen, afgewisseld met geslicete backhands die messcherp werden aangesneden. Voelt u waar ik heenga? Het zal me leren om tegen mijn dominante hand in te beginnen golfen. Ik had moeten weten dat automatismen die al sinds je prille jeugd in je spiergeheugen zitten opgeslagen, daar niet meer weg te krijgen zijn. Zeker niet als je ondertussen een oude knakker bent geworden die veel te laat is overgeschakeld van een sport waar hij min of meer voor geboren werd, naar een sport die hij nauwelijks meester geraakt. En zo komt het dus dat –omdat die vervloekte linkshandige backhand slice van vroeger er altijd doorheen blijft spoken- mijn pols automatisch plat gaat liggen en ik hem verkeerd ‘breek’ tijdens de backswing, waardoor ik in mijn foreswing overvloedig moet gaan corrigeren teneinde een beetje deftig uit te komen op de bal. En hup: zo is dus dat gehate lusje ontstaan.

Heel stom. Het gebeurt compleet buiten mijn wil om. Niemand die er vat op krijgt, laat staan er iets tegenin te brengen heeft. Ik nog het minst. Het lijkt echt nergens op. Geen gezicht. Voor een ellendige estheet als ik een ware beproeving. Snap je, Ik wil een stijlvolle swing in de vingers krijgen, een sierlijke slagbeweging uit m’n ijzers kunnen toveren, net zoals ik dat vroeger met m’n racket deed. Niet iets halfslachtigs dat pijn doet aan de ogen. Het zal wel hoogmoed wezen. Ik bedoel, waarom leg ik mij niet gewoon neer bij mijn gebrek aan talent? Waarom blijf ik maar azen op een compacte, strakke swing? Zou het een verkapte vorm van zelfoverschatting kunnen zijn? Of zit ik gewoon een beetje raar in elkaar? Scorekaart noch handicap interesseren mij: elegantie en zwier des te meer. Schoonheid meneer, daar gaat het mij om. Is dat eigenlijk wel normaal? Of komen de eerste tekenen van seniliteit hier om de hoek kijken? Dat ik, ondanks verwoede pogingen er iets moois van te maken op de fairway, vaak niet verder kom dan een soort spastische ontlading die slechts bij benadering op een swing gelijkt, valt mij zwaar. Komt daar nog bij dat ik mij in tegenstelling tot vele golfkompanen haarfijn bewust ben van mijn zielloos vertoon. Ik weet niet hoe ze dat doen, die anderen, zich verzoenen met hun stunteligheid. Ik zie mensen de vreemdste dingen uitbeelden tijdens het swingen: sommigen brengen een imitatie van een politieagent die het verkeer regelt, anderen lijken ter plaatse op te willen stijgen naar iets hogers, nog anderen refereren met veel aplomb naar Tsjaikovski’s Stervende Zwaan. En allemaal doen ze dat met een argeloosheid waar ik stil van word. Ik bedoel, geen van allen lijkt zich van zijn of haar bespottelijke swing bewust te zijn. Niks hebben ze in de mot. Zelfzeker meppen ze er op geheel eigen wijze op los. Ronduit jaloers ben ik op die lui. Mezelf  een rad voor de ogen draaien, ik kan dat niet. Haarscherp staat mijn geklungel en in bijzonder dat lusje op mijn netvlies gedrukt. Sinds Pieter het vastlegde met zijn camera achtervolgt het mij tot in mijn dromen. Ach, het zou me wellicht allemaal zo hoog niet zitten, mocht mijn pro niet over Furyk begonnen zijn. Dat was er nou nét teveel aan. We zaten gezellig samen gebogen over zijn ipad mijn slagbeweging te analyseren die hij net had gefilmd, toen hij opeens enthousiast uitriep: ‘moet je zien man, twee druppels water de swing van Jim Furyk!’
Ik dacht dat ik het terplekke bestierf. Hij bedoelde het als een compliment neem ik aan, maar zo kwam het geenszins aan. Ik bedoel, als er nu iemand is waar je als povere amateur niet mee vergeleken wil worden dan wel met Furyk. Sla me dood, desnoods met Colin Montgomerie op zijn retour (wat een azijnpisser eersteklas is dat geworden zeg) maar toch niet met Furyk, zo’n beetje de meest kleurloze, zoutloze bonenstaak uit de galerij van beroepsgolfers. En dan die pokerface van hem, met die fletse ogen en die dunne lippen. Een hark van twee meter zonder ook maar het geringste beetje klasse of stijl in dat lange, magere lijf van hem. Toegegeven, qua lusje is de gelijkenis treffend, maar moest Pieter nou nodig zout in de wonde wrijven door het verschijnsel een naam te geven? U kunt zich best wel indenken hoe het laatste restje zelfvertrouwen mij ontglipte na deze uitspraak. Jezus, wie kan er nou onbelemmerd tegen een bal slaan als er door z’n kop speelt dat zijn swingbeweging als twee druppels water gelijkt op die van de met voorsprong lelijkste speler uit de moderne geschiedenis van de professionele golfsport.
Zo, het is eruit. Misschien dat ik met deze pijnlijke bekentenis de hoon van gans golfend Vlaanderen en Nederland over mij afroep, welnu, dan weze het maar zo. Maar ik ‘moest’ het met u delen. Tegen mijn dochters heb ik altijd gezegd; als je met iets zit, kom er dan mee voor de pinnen. Hoe gênant het ook is. Niet mee blijven rondlopen. Wie frustraties en rancune opkropt, krijg kanker en aanverwante ziekten. Outen die boel! Welnu, dat is bij deze gebeurd. Bedankt om even naar mij te willen luisteren. Pieter heb ik al lang vergeven. We maken er zoals gezegd grapjes over. Relativeren, je weet nooit waar het goed voor is. Misschien dat het lusje er minder van wordt. Laten we het hopen, maar veel fiducie heb ik er niet in.